ECLI:NL:CRVB:2018:3022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening beschermd wonen wegens niet-rechtmatig verblijf
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen. Dit verzoek werd op 20 september 2017 afgewezen en het bezwaar daarop door het college ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant geen aanspraak heeft op beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), en verwees appellant naar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voor opvang en medisch noodzakelijke zorg.
In hoger beroep stelde appellant dat beschermd wonen als medisch noodzakelijke zorg moet worden aangemerkt en dat het koppelingsbeginsel van artikel 1.2.2 Wmo 2015 niet op hem van toepassing is. De Raad volgde dit niet en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat opvangvoorzieningen voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid vallen.
De Raad nam tevens kennis van eerdere procedures bij de staatssecretaris en rechtbank Den Haag, waarin werd vastgesteld dat opvang in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) niet adequaat is voor appellant vanwege zijn psychische klachten. Desondanks blijft de Raad bij het oordeel dat appellant geen aanspraak kan maken op beschermd wonen op grond van de Wmo 2015.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de maatwerkvoorziening beschermd wonen bevestigd.