De zaak betreft een geschil over de terugvordering van bijstand die aan X is verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder, terwijl volgens het college sprake was van een gezamenlijke huishouding met appellant. Het college had bij besluiten uit november 2016 de bijstand ingetrokken en de kosten van bijstand teruggevorderd van zowel X als appellant. De rechtbank had in een eerdere procedure het besluit tot intrekking en terugvordering van X herroepen, waarbij de intrekking ongedaan werd gemaakt en terugvordering werd afgewezen wegens dringende sociale redenen. Tegen die uitspraak heeft het college geen hoger beroep ingesteld, waardoor deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
In de onderhavige procedure betwist appellant de medeterugvordering, stellende dat deze niet mogelijk is nu de intrekking van de bijstand aan X ongedaan is gemaakt en het college geen hoger beroep heeft ingesteld. De Centrale Raad oordeelt dat de uitspraak van de rechtbank in de zaak van X ook voor deze procedure bindend is voor wat betreft de rechtmatigheid van de herroeping van de intrekking. Omdat de intrekking van de bijstand ontbreekt, kan op grond van artikel 59, tweede lid, PW geen medeterugvordering plaatsvinden.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit tot medeterugvordering aan appellant en herroept het besluit van 22 november 2016. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het college het betaalde griffierecht vergoedt. Hiermee wordt bevestigd dat terugvordering niet mogelijk is zonder een rechtsgeldige intrekking van de bijstand.