Uitspraak
18.2997 WMO15-PV
18/3051 WMO15, 18/3686 WMO15 en 18/2871 WMO15 plaatsgevonden.
BESLISSING
Wmo 2015. Hetgeen appellant in deze zaak naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan in die uitspraken.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak heeft appellant, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft het verzoek afgewezen omdat appellant geen rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, verwijzend naar artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat beschermd wonen medisch noodzakelijke zorg betreft waarop ook vreemdelingen aanspraak zouden moeten kunnen maken. Hij stelde dat het college de zorg op grond van de Wmo 2015 moet bieden omdat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid deze zorg niet verstrekt en het college de toegang tot zorgaanbieders blokkeert.
De Raad overwoog dat appellant geen vreemdeling is zoals bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015 en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens artikel 2.1, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Zoals in eerdere uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2018:3022 en ECLI:NL:CRVB:2018:4209) is vastgesteld, kan een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening beschermd wonen onder de Wmo 2015.
De Raad ziet geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om beschermd wonen omdat appellant geen rechtmatig verblijf heeft.