Uitspraak
18.2871 WMO15-PV
BESLISSING
Wmo 2015. Hetgeen appellant in deze zaak naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan in die uitspraken.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees dit verzoek af omdat appellant niet voldoet aan de vereiste voorwaarden voor rechtmatig verblijf.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, verwijzend naar artikel 1.2.2 van de Wmo 2015. In hoger beroep voerde appellant aan dat beschermd wonen een medisch noodzakelijke zorg betreft waarop ook vreemdelingen aanspraak zouden moeten kunnen maken, zeker nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid deze zorg niet biedt en het college de toegang tot zorgaanbieders blokkeert.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen vreemdeling is zoals bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015, noch gelijkgesteld is aan een Nederlander op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad bevestigt eerdere uitspraken dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf geen aanspraak kunnen maken op beschermd wonen als maatwerkvoorziening onder de Wmo 2015. De overige door appellant aangevoerde argumenten behoeven geen nadere bespreking. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op beschermd wonen onder de Wmo 2015 vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.