Uitspraak
17 2089 ANW-G
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Svb in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;
- bepaalt dat van de Svb griffierecht van € 501,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 1994 een nabestaandenuitkering en stond ingeschreven op een adres te [woonplaats]. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering, met huisbezoek en dossieronderzoek. De Svb trok de uitkering in vanaf 1 augustus 2009 en vorderde de kosten terug, stellende dat betrokkene vanaf 1 juli 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met X.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor een gezamenlijke huishouding vóór 25 april 2011, met name omdat het hoofdverblijf van X op het uitkeringsadres niet aannemelijk was gemaakt. De Svb ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf niet was voldaan, mede vanwege inconsistenties in verklaringen van betrokkene en onvoldoende bewijs van buren en waterverbruik. Hierdoor was geen sprake van gezamenlijke huishouding in de periode 1 juli 2009 tot 25 april 2011.
De Svb was daarom niet bevoegd de uitkering over deze periode in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep van de Svb werd afgewezen en de Svb werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering over de periode 1 juli 2009 tot 25 april 2011 wordt vernietigd.