ECLI:NL:CRVB:2019:2218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit bijstand wegens onrechtmatig bewijs en onvoldoende feitelijke grondslag
Appellant ontving vanaf 11 januari 2014 bijstand. Het college startte een onderzoek naar mogelijk onrechtmatig ontvangen bijstand vanwege bezit van onroerend goed in Turkije, gebaseerd op een rapport van een advocaat en een handhavingsspecialist. Op grond hiervan trok het college bij besluiten van januari 2015 de bijstand in en vorderde terugbetaling.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het bewijs onrechtmatig was verkregen. Het college nam een nader besluit waarbij het oorspronkelijke bewijs werd verlaten, maar baseerde zich op een mededeling van appellant die niet in het proces-verbaal stond. De Raad oordeelde dat dit nader besluit geen deugdelijke feitelijke grondslag heeft.
Daarom vernietigde de Raad zowel het bestreden besluit als het nader besluit en herroept de besluiten van januari 2015. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant en moet het betaalde griffierecht vergoeden. Het oordeel benadrukt het belang van rechtmatig bewijs en correcte feitelijke vaststelling in bestuursrechtelijke besluitvorming.
Uitkomst: De intrekkingsbesluiten van bijstand worden herroepen wegens onrechtmatig bewijs en onvoldoende feitelijke grondslag.