ECLI:NL:CRVB:2019:2209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boete wegens schending inlichtingenplicht bij detentie Wajong-uitkeringsgerechtigde
Appellant ontving een Wajong-uitkering en toeslag, maar werd vanaf 31 augustus 2014 gedetineerd. Het UWV ontving hiervan op 17 februari 2015 bericht van de penitentiaire inrichting en trok de uitkering met terugwerkende kracht in. Appellant kreeg een boete opgelegd wegens het niet tijdig melden van zijn detentie.
De rechtbank Gelderland verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en stelde de boete vast op €1.190,-, waarbij werd geoordeeld dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden, maar geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV via de gemeente op de hoogte was van zijn detentie en dat hij beperkte geestelijke vermogens had, en stelde dat de strafrechter bevoegd was.
De Raad volgde de rechtbank in dat appellant verplicht was zijn detentie te melden en dat de adreswijziging via de gemeente hem niet ontslaat van deze plicht. Wel werd vastgesteld dat appellant als zelfmelder kan worden aangemerkt omdat de penitentiaire inrichting op zijn verzoek melding maakte. Hierdoor werd de boete verminderd naar €595,98. Er was geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM Pro en de bestuursrechter is bevoegd. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Boete wegens schending inlichtingenplicht vastgesteld op €595,98 met vergoeding van proceskosten aan appellant.