Appellante had bij het college van burgemeester en wethouders van Heerlen bijstand ontvangen die op grond van een besluit van 2 augustus 2016 met ingang van 1 maart 2016 werd ingetrokken en over de maanden mei en juni 2015 werd herzien. Het college stelde dat appellante in haar woning een hennepkwekerij exploiteerde en dit niet had gemeld, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormde. Daarnaast werden contante kasstortingen op haar bankrekening als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de bijstand.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat vaststond dat er een hennepkwekerij met 141 planten was aangetroffen en appellante wist dat zij dit moest melden. Haar beroep dat mededelingen van de burgemeester vertrouwen hadden gewekt dat melding niet nodig was, werd verworpen omdat deze mededelingen betrekking hadden op sluitingsbevoegdheid en niet op de inlichtingenplicht.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Ook het argument dat kasstortingen leningen zouden zijn en dus niet als middelen moesten worden aangemerkt, faalde omdat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip.
De Raad bevestigde daarmee de intrekking en herziening van de bijstand en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.