ECLI:NL:CRVB:2019:2061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant was tot 2007 werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met nek- en rugklachten. Het UWV kende hem vanaf december 2009 een WIA-uitkering toe, die in 2012 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2017 verzocht appellant opnieuw om een WIA-uitkering, die door het UWV werd geweigerd omdat zijn beperkingen niet waren toegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen overtuigend hadden gemotiveerd dat er geen toegenomen beperkingen waren en dat psychische klachten niet kenbaar waren gemaakt bij de eerdere beoordeling. Appellant stelde in hoger beroep dat hij al in 2012 psychische klachten had en overhandigde medische informatie uit Marokko, verzocht om een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek.
De Raad oordeelde dat appellant in hoger beroep slechts herhaalde wat hij eerder had aangevoerd zonder nieuwe duidelijkheid te verschaffen over zijn psychische klachten, met name over de diagnose psychose en het tijdstip van ontstaan. Daarom was er geen grond voor een onafhankelijk onderzoek en werd het hoger beroep verworpen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.