ECLI:NL:CRVB:2019:2060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, vroeg herhaaldelijk een WIA-uitkering aan na beëindiging van een eerdere uitkering in 2012. Het UWV weigerde de uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond, maar oordeelde dat er geen nieuwe feiten of toegenomen arbeidsongeschiktheid waren sinds het eerdere besluit.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen, met name door psychische klachten en medicatiegebruik. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over de aard en het ontstaan van zijn psychische klachten, met name de diagnose psychose. De medische stukken waren summier en boden geen bewijs van toegenomen beperkingen.
De Raad concludeerde dat er geen grond was voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en verwierp het hoger beroep. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs van toegenomen arbeidsongeschiktheid.