ECLI:NL:CRVB:2019:2004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering na overschrijding termijn van vijf jaar
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, kreeg in 1998 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2000 vond een herziening plaats waarbij de uitkering werd aangepast naar 25-35%. In 2008 werd de uitkering onveranderd voortgezet na een herbeoordeling. In 2015 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid, waarna het UWV een verzoek tot herziening afwees omdat de vijfjaarsperiode sinds de laatste toekenning of herziening was verstreken.
Appellant voerde aan dat het UWV nalatig was geweest in het oproepen voor herbeoordelingen, waardoor zijn uitkering ten onrechte niet was verhoogd. Tevens stond appellant onder bewind, maar de Raad oordeelde dat hij zelf in het geding kon optreden. De Raad bevestigde dat de regeling in artikel 39a van de WAO een termijn van vijf jaar hanteert waarbinnen een toegenomen arbeidsongeschiktheid moet intreden om recht te geven op herziening.
De Raad concludeerde dat de herbeoordeling in 2008 niet als een herziening in de zin van artikel 39a kan worden gezien. Omdat de vermeende toename van arbeidsongeschiktheid pas in 2015 plaatsvond, is de termijn overschreden. Het hoger beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens overschrijding van de termijn van vijf jaar.