ECLI:NL:CRVB:2019:1932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WW-uitkering wegens inkomenstoerekening volgens AIB
Appellant had een WW-uitkering die werd beëindigd omdat hij per 1 juli 2016 weer werkte. Na heraanvraag stelde het UWV vast dat appellant in oktober 2016 meer dan 87,5% van zijn maandloon verdiende, waardoor het recht op WW-uitkering niet herleefde. Het geschil betrof de toerekening van loon over een vierwekenperiode aan de maand oktober, terwijl appellant slechts een deel van die periode in oktober werkte.
Appellant voerde aan dat het loon slechts naar rato van de gewerkte dagen in oktober had moeten worden toegerekend, en dat het strikt toepassen van artikel 4:1, negende lid, AIB leidde tot een kennelijk onredelijk resultaat en schending van het gelijkheidsbeginsel. Het UWV verdedigde de toepassing van het negende lid en stelde dat de systematiek consistent wordt toegepast om uitvoeringstechnische redenen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht geen toepassing gaf aan het zevende lid van artikel 4:1 AIB Pro en dat de systematiek van het negende lid passend en verplicht is. De Raad vond geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat van overwegende aard, mede omdat de systematiek soms voordeel en soms nadeel oplevert. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat een vergelijkbare casus onjuist was behandeld en het UWV niet verplicht is die fout te herhalen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van de WW-uitkering per 1 oktober 2016 wordt bevestigd.