ECLI:NL:CRVB:2019:1923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel besluit UWV inzake Wajong jonggehandicaptenstatus appellant
In deze zaak stond de vraag centraal of appellant, met een ontwikkelingsstoornis vastgesteld in 2013, binnen de relevante periode tot 1 januari 2010 als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3 Wajong Pro 2010 kon worden aangemerkt. De Raad had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin het UWV werd opgedragen nader onderzoek te verrichten naar de arbeidsbeperkingen van appellant en de toepasselijkheid van de wachttijdregeling.
Het UWV heeft vervolgens aanvullende medische en arbeidsdeskundige rapporten overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen van appellant in de periode van haar 17e verjaardag tot 1 januari 2010 niet zijn gewijzigd en dat zij in staat was om werkzaamheden te verrichten die ten minste 75% van het minimumloon opleverden. De Raad concludeert dat het UWV het motiveringsgebrek heeft hersteld en de situatie adequaat heeft beoordeeld.
De Raad oordeelt dat appellant niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt omdat er geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak binnen de verzekerde periode en er geen toename van beperkingen is vastgesteld. De eerdere uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.