ECLI:NL:CRVB:2019:1739
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging stopzetting Wajong-uitkering wegens verblijf in India zonder zwaarwegende omstandigheden
Appellant, geboren in 1978 en sinds 2008 arbeidsongeschikt wegens schizofrenie, ontving een Wajong-uitkering. Na meerdere periodes van tijdelijk verblijf in India voor vrijwilligerswerk, verhuisde hij definitief naar India en ontving daar een werkvisum. Het UWV besloot daarop de uitkering per 1 mei 2015 stop te zetten vanwege het exportverbod, omdat appellant niet meer in Nederland woonde.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de hardheidsclausule niet van toepassing was omdat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen zwaarwegende redenen vormden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in India als reisgids wilde re-integreren en dat medisch gezien zijn verblijf daar gunstig was, ondersteund door een brief van zijn psychiater.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief geen objectieve medische onderbouwing bevatte en dat eerdere medische rapporten juist een verslechtering van zijn situatie in India lieten zien. De Raad bevestigde dat het exportverbod terecht werd toegepast en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Wajong-uitkering wordt stopgezet vanwege het verblijf in India zonder zwaarwegende omstandigheden voor toepassing van de hardheidsclausule.