ECLI:NL:CRVB:2019:1647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding eigen bijdrage Wlz op Wajong-uitkering door UWV
Het UWV heeft in januari 2016 een bedrag als eigen bijdrage Wlz op de Wajong-uitkering van appellante ingehouden. Appellante stelde dat hiervoor geen wettelijke basis bestond en dat de inhouding een onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrecht vormde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege de latere reparatiewetgeving met terugwerkende kracht.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de inhouding onredelijk hoog was, geen rekening werd gehouden met de beslagvrije voet, en dat het UWV misbruik maakte van bevoegdheid. Ook stelde zij dat de zitting zonder haar aanwezigheid onrechtmatig was verlopen. Het UWV betoogde dat de inhouding wettelijk was geregeld in artikel 2:55, tweede lid, van de Wajong, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015, en dat er geen sprake was van een verboden inbreuk op eigendom.
De Raad oordeelde dat de reparatiewetgeving een omissie in de regelgeving herstelde die was ontstaan door de overgang van de AWBZ naar de Wlz en Wmo 2015. Hierdoor ontstond met terugwerkende kracht een wettelijke grondslag voor de inhouding. Dit vormde geen verboden inbreuk op het eigendomsrecht zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de overige klachten van appellante af, waaronder de procedurele klacht over de zitting.
De hoogte van de eigen bijdrage en de beslagvrije voet konden in deze procedure niet worden betwist; appellante moest zich daarvoor tot het CAK wenden. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de eigen bijdrage Wlz op de Wajong-uitkering inhoudt op basis van reparatiewetgeving met terugwerkende kracht.