Uitspraak
16.6354 WIA
OVERWEGINGEN
.Bij
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante meldde zich ziek in november 2010 na een hersenbloeding en ontving destijds een WW-uitkering. Het UWV stelde in 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. In 2015 meldde appellante toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar het UWV handhaafde het eerdere standpunt na medische en arbeidskundige rapportages.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) overeenkwamen met eerdere vaststellingen en dat het neuropsychologisch onderzoek geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar belastbaarheid niet juist was vastgesteld en vroeg om benoeming van een deskundige.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen het medisch dossier voldoende hadden betrokken en dat de klachten niet wezenlijk waren toegenomen. De neuropsychologische bevindingen werden als consistent met eerdere onderzoeken beschouwd en ondervangen door de FML. Het rapport van een medisch specialist uit 2018 bevatte geen nieuwe gegevens over de relevante periode. Er was geen reden een deskundige te benoemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.