ECLI:NL:CRVB:2019:1451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student, maar de minister herzag dit besluit op basis van een huisbezoek en analyse van reisgegevens, waarbij appellant als thuiswonend werd aangemerkt en een bedrag werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de geringe hoeveelheid persoonlijke spullen op het BRP-adres en de inrichting van de kamer aannemelijk maakten dat appellant daar niet woonde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een controleur niet bevoegd was en dat de reisgegevens onvoldoende bewijs vormden. Tevens stelde hij dat de persoonlijke spullen en zijn verklaring voldoende waren om aan te tonen dat hij wel woonde op het adres.
De Raad oordeelde dat de controleur bevoegd was en dat de reisgegevens als bewijs toelaatbaar zijn. Hoewel het huisbezoekrapport op zichzelf onvoldoende bewijs bood, weegt het frequente reisgedrag met OV-kaart en de onjuiste verklaring van appellant zwaar. Dit leidt tot voldoende bewijs dat appellant niet op het BRP-adres woonde.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering als thuiswonende wordt bevestigd.