ECLI:NL:CRVB:2019:1448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking bijstand wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Betrokkene 1 ontving bijstand als alleenstaande ouder en een tegemoetkoming kinderopvangkosten. Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo trok deze bijstand en tegemoetkoming in, omdat zij meenden dat betrokkene 1 en betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres.
Het college baseerde dit op onderzoek met onder meer telefoonzendmastgegevens, pintransacties, waarnemingen van de auto en verklaringen van buurtbewoners. De rechtbank vernietigde deze besluiten omdat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene 2 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
In hoger beroep stelde het college dat de onderzoeksbevindingen wel toereikend waren, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel betrokkene 2 regelmatig op het uitkeringsadres verbleef, dit onvoldoende is om te concluderen dat dit zijn hoofdverblijf was. Diverse feiten, zoals het waterverbruik, het ontbreken van persoonlijke spullen en verklaringen, wezen niet op een gezamenlijke huishouding.
De Raad bevestigde daarmee de vernietiging van de intrekkingsbesluiten en wees een proceskostenvergoeding af. Partijen kunnen nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad over de uitleg van het begrip gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene 2 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, waardoor de intrekking van bijstand onterecht was.