Appellant was sinds 2009 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Na een psychiatrisch onderzoek in 2015 werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, waarop het UWV de uitkering beëindigde. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Een nieuwe psychiatrische deskundige, prof. dr. Koerselman, concludeerde dat appellant leed aan een ziekteangsstoornis met bijkomende beperkingen, waaronder een noodzakelijke urenbeperking tot gemiddeld zes uur per dag en 30 uur per week.
De Raad volgde deze deskundige en oordeelde dat de eerdere functionele mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening hield met de beperkingen. Op basis van een aangepaste FML werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 57,05%. De Raad vernietigde het eerdere besluit en stelde het recht op WGA-loonaanvullingsuitkering vast. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van kosten van appellant.