ECLI:NL:CRVB:2019:1403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na aanspraak op legaat uit nalatenschap
Appellant ontvangt sinds november 2011 bijstand en kreeg in december 2016 een bedrag uit de nalatenschap van zijn grootmoeder, die in mei 2015 overleed. Het college vorderde terugbetaling van bijstandskosten over de periode van mei 2015 tot eind 2016, omdat appellant vanaf het overlijden aanspraak had op middelen uit de nalatenschap die de vermogensgrens overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het hier een legaat betrof en dat de aanspraak pas ontstond op het moment dat de nalatenschap kon worden afgewikkeld, namelijk eind november of begin december 2016. Hij verwees naar artikel 4:125 BW Pro en voerde aan dat terugvordering pas vanaf die datum mogelijk was.
De Raad oordeelde dat de aanspraak op een legaat gelijkgesteld moet worden aan die op een erfdeel en dat deze ontstaat op het moment van overlijden van de erflater. Dit volgt uit vaste rechtspraak en de wettelijke regeling dat de legataris een vorderingsrecht heeft jegens de erfgenamen. De opeisbaarheid van het legaat na zes maanden verandert hier niets aan.
Daarom is het college bevoegd de bijstandskosten terug te vorderen vanaf de datum van overlijden van de grootmoeder, 12 mei 2015. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De terugvordering van bijstandskosten vanaf het moment van overlijden van de grootmoeder wordt bevestigd.