Uitspraak
de Rechtbank Noord-Holland van 3 november 2016, 15/4717 (aangevallen uitspraak 1) en 15/4718 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak stond de terugvordering van bijstand ter discussie, waarbij een bedrag van €23.577,17 was teruggevorderd na een eerdere intrekking van bijstand. De appellant voerde aan dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen met zich meebrengt die als dringende reden zouden moeten gelden om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat dergelijke dringende redenen slechts in incidentele en uitzonderlijke gevallen kunnen worden aangenomen en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze situatie daaraan voldeed.
Daarnaast werd het hoger beroep behandeld tegen de afwijzing van een aanvraag voor een langdurigheidstoeslag over 2014. Het college had de toeslag geweigerd omdat appellant beschikte over vermogen, namelijk een en/of rekening met zijn moeder. De Raad bevestigde dat het saldo op deze rekening tot het vermogen van appellant behoort, zoals eerder vastgesteld in een uitspraak van juni 2017, en verwierp het beroep.
De Raad zag geen aanleiding voor een schadevergoeding of proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van de Rechtbank Noord-Holland en benadrukt de strikte criteria voor het afzien van terugvordering en de vermogenspositie bij toeslagverlening.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd en het hoger beroep tegen de afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt verworpen.