ECLI:NL:CRVB:2019:129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling door werknemer na ontslag
Appellant was sinds november 2012 in dienst als vloerenlegger en werd op staande voet ontslagen wegens vermeende diefstal, waarvan hij later in de strafzaak werd vrijgesproken.
Na het ontslag vroeg appellant een Ziektewetuitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat appellant bewust loonaanspraken had prijsgegeven door te instemmen met een vaststellingsovereenkomst en niet tijdig juridische stappen te ondernemen tegen zijn ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat sprake was van een benadelingshandeling die hem in overwegende mate verweten kon worden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep af, waarbij wordt benadrukt dat het handelen van appellant bewust was en dat het advies van zijn advocaat hem niet ontslaat van eigen verantwoordelijkheid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling door appellant.