ECLI:NL:CRVB:2019:1272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag bevestigd
Appellant, laatst werkzaam als woonbegeleider, meldde zich ziek met vermoeidheidsklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een tweedejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), en een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met geschikte functies. Het UWV beëindigde daarom het ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn CVS-gerelateerde beperkingen, energietekort, slaapbehoefte en mogelijk excessief ziekteverzuim, en betwistte de geschiktheid van een geselecteerde functie.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen objectief waren vastgesteld. De klachten van appellant waren erkend in de FML, en er was geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen. Het betoog over excessief ziekteverzuim faalde wegens gebrek aan medische onderbouwing. De arbeidsdeskundige had voldoende toegelicht dat de geselecteerde functies passend waren. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van het ziekengeld.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellant is terecht beëindigd wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.