ECLI:NL:CRVB:2019:1252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellant was ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een bepaald adres en ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten. De minister stelde bij besluit vast dat appellant sinds ongeveer twee weken vóór een controle op 13 december 2016 niet meer op dat adres woonde en herzag de studiefinanciering met terugwerkende kracht naar de norm voor thuiswonenden. Appellant voerde bezwaar aan, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij in de periode vóór de controle wel op het BRP-adres woonde.
In hoger beroep stelde appellant dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd dat hij in de periode augustus tot begin december 2016 niet op het BRP-adres woonde, onder meer omdat drie bewoners verklaarden dat hij daar wel woonde. De Raad oordeelde dat de minister voldeed aan zijn bewijslast door de verklaring van de hoofdbewoonster tijdens het huisbezoek, en dat het wettelijk vermoeden van niet-wonen geldt vanaf die datum terug naar 1 augustus 2016. Appellant moest onomstotelijk bewijs leveren om dit vermoeden te weerleggen, hetgeen niet is gelukt.
De Raad concludeerde dat appellant niet het vereiste overtuigende bewijs heeft geleverd dat hij in (een deel van) de periode voorafgaand aan de controle op het BRP-adres woonde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van studiefinanciering blijft gehandhaafd.