ECLI:NL:CRVB:2019:125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor WIA-functies en beëindiging Ziektewetuitkering
Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met klachten aan arm en been. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar WIA-uitkering. Na een nieuwe ziekmelding met gynaecologische klachten werd zij opnieuw beoordeeld en hersteld verklaard voor de Ziektewet per 13 november 2015.
De rechtbank oordeelde dat alleen de vraag relevant was of appellante geschikt was voor één van de functies die het UWV in het kader van de Wet WIA had geselecteerd. Dit was het geval en de rechtbank wees het beroep af. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en verzocht om onafhankelijke deskundigen, maar bracht geen nieuwe gronden aan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelt dat het UWV zorgvuldig medisch-arbeidskundig onderzoek heeft verricht en dat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de beoordeling. Het verzoek om deskundigen te benoemen wordt afgewezen. De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd omdat appellante geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is voor één van de WIA-functies en dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.