ECLI:NL:CRVB:2019:1238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenveroordeling bij beroep over hoogte dwangsom bijzondere bijstand
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag waarin een dwangsom werd toegekend wegens te late beslissing op een aanvraag bijzondere bijstand. De rechtbank veroordeelde het college tot betaling van proceskosten met een wegingsfactor van 0,25. Appellant stelde in hoger beroep dat een wegingsfactor van 1 passend was, omdat het beroep gericht was tegen een inhoudelijk besluit over de hoogte van de dwangsom.
De Raad overwoog dat sinds 2016 een wegingsfactor van 0,5 geldt voor eenvoudige beroepen over het niet tijdig beslissen en de hoogte van de dwangsom. Hoewel het beroep van appellant niet ging over het niet tijdig beslissen, maar over de hoogte van de dwangsom, valt het beroep onder deze categorie. De Raad verwierp het argument van appellant dat een hogere wegingsfactor van toepassing was en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep met een wegingsfactor van 0,5, resulterend in een totaal van €768,- aan proceskostenvergoeding, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht. Het college had reeds €247,50 aan proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten met een wegingsfactor van 0,5, resulterend in een totaal van €768,- inclusief griffierecht.