ECLI:NL:CRVB:2019:1163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering naar thuiswonende studerende wegens onvoldoende bewijs verblijf
Appellante stond sinds maart 2013 ingeschreven op een brp-adres en ontving vanaf september 2015 studiefinanciering als uitwonende studente. Op 31 augustus 2016 voerden controleurs een huisbezoek uit waaruit bleek dat appellante niet meer op het brp-adres woonde; haar voormalige kamer was een kinderkamer en er werden geen persoonlijke spullen aangetroffen.
De minister herzag daarop de studiefinanciering met terugwerkende kracht naar de norm voor thuiswonenden en vorderde een bedrag van €2.328,38 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het rapport van het huisbezoek als grondslag werd genomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte verklaringen van haar oom niet had meegewogen en dat zij wel degelijk op het brp-adres woonde. De Raad oordeelde dat appellante niet onomstotelijk kon bewijzen dat zij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek op het adres verbleef, omdat de verklaringen onvoldoende concreet waren en niet ondersteund door bewijsstukken.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad wees appellante erop dat zij de minister kan verzoeken het besluit te herzien als zij over meer bewijs beschikt. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van studiefinanciering naar thuiswonende studerende wegens onvoldoende bewijs van verblijf op het brp-adres.