ECLI:NL:CRVB:2019:1157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en kreeg een kind in oktober 2015. Zij meldde aanvankelijk niet wie de vader was, maar gaf later aan dat een vriend, X, regelmatig bij haar kwam. Na erkenning van het kind door X startte de gemeente een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand.
Het Team Bijzonder Onderzoek voerde dossieronderzoek, waarnemingen en een huisbezoek uit, waarbij werd vastgesteld dat X zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van appellante. Op basis hiervan trok het college de bijstand in en vorderde een bedrag terug wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat de verklaring van appellante samen met de waarnemingen voldoende bewijs vormen dat X vanaf 12 oktober 2015 hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
De Raad verwierp het verweer van appellante dat X deels in het buitenland verbleef en dat zij niet samenwoonden. De intrekking en terugvordering zijn daarmee rechtmatig. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding worden bevestigd.