ECLI:NL:CRVB:2019:1156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand op grond van BBZ 2004 ondanks bezwaar appellant
Appellant ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ 2004) in de vorm van renteloze geldleningen voor de jaren 2008, 2009 en 2010. Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden had deze leningen deels omgezet in bijstand om niet en de resterende bedragen teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvorderingen, maar het college verklaarde dit bezwaar slechts deels gegrond.
De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het college ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het college ten onrechte het gehele boekjaar 2008 had betrokken bij de vaststelling van het inkomen en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege onzorgvuldige voorlichting en onlevensvatbaarheid van zijn onderneming.
De Raad oordeelde dat het college terecht het gehele boekjaar als referentieperiode hanteerde conform de definitie in het BBZ 2004. Daarnaast faalde het beroep op dringende redenen omdat de aangevoerde omstandigheden niet zagen op de onaanvaardbaarheid of financiële consequenties van de terugvordering, maar op de oorzaak ervan. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en verklaart het hoger beroep ongegrond.