Uitspraak
16.6104 WAO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
M.F.J.M. de Werd als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019.
Centrale Raad van Beroep
Appellante is sinds 1998 gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontvangt een WAO-uitkering. Na een wijziging in haar arbeidsongeschiktheidsklasse in 2011 en het beëindigen van haar dienstverband in 2014, stelde het UWV het dagloon voor haar loondervingsuitkering vast op basis van het oorspronkelijke hogere dagloon uit 1999, ondanks dat zij in haar latere functie een hoger uurloon verdiende maar minder uren werkte.
Appellante betoogde dat deze wijze van dagloonvaststelling leidt tot ongelijke behandeling en strijd met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro, omdat zij vanwege haar urenbeperking niet in aanmerking komt voor een hoger dagloon, terwijl anderen dat wel kunnen.
De Raad oordeelt dat de regeling een legitiem doel dient: het beschermen van het verdienvermogen ten tijde van de eerste arbeidsongeschiktheid en het bieden van een verzekering bij werkhervatting met een hoger dagloon. De keuze voor dagloon in plaats van uurloon sluit aan bij de wettelijke bepalingen. Gezien de ruime beleidsvrijheid op het terrein van sociale zekerheid is er geen sprake van een verboden onderscheid.
De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon is juist vastgesteld.