ECLI:NL:CRVB:2018:970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gebruik van persoonsgebonden budget voor zorg in EU-lidstaat toegestaan onder voorwaarden
Appellant, met een indicatie voor langdurige zorg (ZZP GGZ05C), vroeg om een persoonsgebonden budget (pgb) om zorg in Portugal te financieren. Het Zorgkantoor weigerde dit op grond van artikel 2.6.9a van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), dat het gebruik van een pgb in het buitenland beperkt tot voortzetting van zorg die in Nederland was aangevangen en tot maximaal dertien weken per jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat deze voorwaarden niet in strijd zijn met het EU-recht en dat het Zorgkantoor een redelijke belangenafweging had gemaakt. Appellant stelde echter dat deze beperkingen het vrije verkeer van diensten volgens artikel 56 VWEU Pro belemmeren en dat de Patiëntenrichtlijn van toepassing is.
De Raad oordeelde dat hoewel het pgb niet onbeperkt in het buitenland kan worden gebruikt, de voorwaarden een belemmering vormen voor het vrije verkeer van diensten. De rechtvaardiging door het Zorgkantoor en de Staatssecretaris, gericht op het financieel evenwicht van het zorgstelsel en beheersing van kosten, was onvoldoende onderbouwd. Ook administratieve bezwaren rechtvaardigen deze beperking niet.
Daarom is het bestreden besluit in strijd met artikel 56 VWEU Pro en ontbreekt een draagkrachtige motivering. De Raad draagt het Zorgkantoor op het motiveringsgebrek te herstellen, maar kan zelf niet in de zaak voorzien. De zaak wordt met deze tussenuitspraak niet beëindigd en verdere vorderingen blijven openstaan.
Uitkomst: Het Zorgkantoor moet het motiveringsgebrek in het besluit herstellen omdat de weigering van het pgb in strijd is met artikel 56 VWEU.