ECLI:NL:CRVB:2018:941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid UWV-onderzoek en arbeidsbeperkingen bij WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als financieel medewerker, meldde zich ziek met rug- en nekklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV beoordeelde haar re-integratie-inspanningen en stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard door het UWV en later door de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV ten onrechte onvoldoende beperkingen had vastgesteld, onder meer omdat het protocol CVS niet was toegepast en een functionele capaciteitsevaluatie (FCE) uit 2013 buiten beschouwing was gelaten. Zij verwees naar medische rapporten en internationale jurisprudentie ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was, dat protocollen slechts hulpmiddelen zijn en dat de diagnose CVS niet was gesteld. De Raad stelde dat beperkingen medisch objectief vastgesteld moeten zijn en dat de FCE-resultaten met terughoudendheid moeten worden gehanteerd. De medische informatie van behandelaars was betrokken bij de beoordeling.
De Raad vond geen schending van equality of arms en concludeerde dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De geselecteerde functies zijn passend geacht en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit van het UWV bevestigd.