Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Subsidiair heeft het Uwv betoogd dat de vordering van appellant tot uitbetaling is verjaard.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant vorderde betaling van een WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2000 tot en met 5 oktober 2004, nadat de uitkering in 1999 was geschorst wegens niet voldoen aan oproepen voor onderzoek. Het Uwv had de uitkering vanaf eind 2004 weer hervat, maar weigerde betaling over de geschorste periode vanwege verjaring.
De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar was gestart op 20 december 2005 en door een brief van appellant in 2008 was gestuit, waarna een nieuwe termijn liep. Omdat appellant zijn verzoek pas in 2014 herhaalde, was de vordering verjaard. Appellant voerde tegen dat de vordering niet opeisbaar was en dat een langere verjaringstermijn van twintig jaar zou gelden wegens onrechtmatige daad van het Uwv, maar deze argumenten werden verworpen.
De Raad bevestigde dat het schorsingsbesluit uit 1999 de uitkering niet opeisbaar maakte en dat daardoor geen verjaringstermijn kon lopen. Echter, de rechtszekerheid vereist dat financiële aanspraken jegens de overheid na vijf jaar niet meer afdwingbaar zijn. Er was geen bewijs van misleiding of opgewekt vertrouwen die een andere termijn rechtvaardigen.
Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd, en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De vordering tot betaling van WAO-uitkering over 2000-2004 is verjaard en het verzoek afgewezen.