ECLI:NL:CRVB:2018:584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op Wajong-uitkering bij syndroom van Kallmann en arbeidsbelastbaarheid
Appellant, geboren in 1985, vroeg om een Wajong-uitkering wegens het syndroom van Kallmann met diverse lichamelijke klachten. Na een zorgvuldig medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en geschikt is voor licht fysiek werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige stelde dat appellant meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen met de geselecteerde functies.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen, maar de Raad vond geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. De Raad bevestigde dat de medische grondslag voldoende draagkrachtig is en dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Ook het verzoek om vergoeding van schade werd afgewezen.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een Wajong-uitkering omdat hij geschikt is voor licht fysiek werk en meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.