Uitspraak
17.2954 ZVW
28 februari 2017, 16/5933 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Duitsland en ontvanger van AOW- en ABP-pensioen, is door het CAK als verdragsgerechtigde aangemerkt en werd een buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd over 2012. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de bijdrage bevestigd. In hoger beroep betwist appellant zijn verdragsgerechtigdheid en de juistheid van de woonlandfactor, en voert hij aan dat hij dubbele ziektekosten betaalt vanwege de niet-Nederlandse echtgenote.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat appellant op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 69 Zvw Pro terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt en een buitenlandbijdrage verschuldigd is. De Raad onderschrijft de rechtbank in haar oordeel dat de woonlandfactor juist is toegepast en dat de bijdrage correct is vastgesteld. De stelling van appellant dat zijn reactie niet aan CAK is doorgezonden, wordt verworpen omdat dit feitelijk onjuist is.
Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank niet tekort is geschoten in haar motivering door niet op alle gronden in te gaan, aangezien zij zich mag beperken tot de kern van het geschil. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de buitenlandbijdrage Zvw en verklaart het hoger beroep ongegrond.