ECLI:NL:CRVB:2018:547
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens te snel interen op vermogen
Appellante vroeg op 9 september 2015 bijstand aan omdat haar alimentatie werd verlaagd. Uit onderzoek bleek dat zij in 2014 een bedrag van ruim €60.000 ontving uit de echtscheiding en verkoop van de woning. Na aftrek van diverse kosten en vrij te laten vermogen resteerde een bedrag waarmee zij ongeveer 33 maanden kon leven, waardoor zij pas in februari 2017 een beroep op bijstand had hoeven doen.
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg kende bijstand toe met een maatregel van drie maanden verlaging, omdat appellante te snel op haar vermogen had ingeteerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante onvoldoende besef had van haar verantwoordelijkheid, gezien het vervroegd beroep op bijstand.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen onverantwoorde uitgaven had gedaan en dat het college ten onrechte niet eerst had vastgesteld of sprake was van onverantwoord gedrag. De Raad oordeelde dat het college de uitgaven verantwoord had beoordeeld en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om onduidelijkheden te verklaren.
De Raad concludeerde dat appellante haar uitgavenpatroon onvoldoende had aangepast en dat het beroep op bijstand voorzienbaar was. De maatregel van drie maanden verlaging blijft gehandhaafd. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met drie maanden wegens te snel interen op vermogen wordt bevestigd.