ECLI:NL:CRVB:2018:524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW- en ZW-uitkering wegens niet gemelde zelfstandige drugshandel
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf november 2009 en later een ZW-uitkering. Na een anonieme tip over drugshandel startten politie en UWV een onderzoek. Appellant werd veroordeeld voor handel in cocaïne en heroïne tussen september 2010 en mei 2012.
Het UWV trok de WW- en ZW-uitkeringen over die periode in wegens het niet melden van inkomsten uit zelfstandige drugshandel. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij fulltime als zelfstandige werkte en daardoor zijn werknemerschap verloor.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de omvang van zijn werkzaamheden niet kon worden vastgesteld en dat het teruggevorderde bedrag hoger was dan het vermeende voordeel. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had verricht en dat het ontbreken van concrete gegevens het maken van een beredeneerde schatting onmogelijk maakte, waardoor intrekking terecht was.
De Raad bevestigde dat appellant geen recht had op WW- en ZW-uitkering, ook al lagen aan het besluit verkeerde wettelijke bepalingen ten grondslag. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de WW- en ZW-uitkering wordt bevestigd omdat appellant zijn werknemerschap verloor door niet gemelde zelfstandige drugshandel.