Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:428

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 februari 2018
Publicatiedatum
14 februari 2018
Zaaknummer
16/7893 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wsf 2000Art. 2.14 Wsf 2000Art. 1.1 Wsf 2000Art. 7.3 WHWArt. 7.32 WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing studiefinanciering voor afstandsonderwijs aan buitenlandse universiteit

Appellante vroeg studiefinanciering aan voor een opleiding aan een universiteit in het Verenigd Koninkrijk die als afstandsonderwijs wordt aangeboden. De minister wees de aanvraag af omdat afstandsonderwijs wordt aangemerkt als deeltijdonderwijs, waarvoor geen studiefinanciering wordt verstrekt volgens de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de buitenlandse opleiding vergelijkbaar is met een deeltijdse bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit, waarvoor geen studiefinanciering bestaat. Appellante voerde aan dat afstandsonderwijs ook voltijds kan zijn en dat inschrijving voor 60 studiepunten een voltijdse studie impliceert.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het recht op studiefinanciering is gekoppeld aan inschrijving voor een voltijdse bachelor- of masteropleiding. Omdat bij de Open Universiteit inschrijving plaatsvindt per onderwijseenheid en afstandsonderwijs als deeltijd wordt beschouwd, bestaat geen recht op studiefinanciering. De Raad bevestigde dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen en wees ook het verzoek om vergoeding van bezwaar- en beroepskosten af.

Uitkomst: De aanvraag studiefinanciering wordt afgewezen omdat de opleiding als deeltijd wordt aangemerkt zonder recht op studiefinanciering.

Uitspraak

16/7893 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 november 2016, 16/4630 en 16/4631 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 14 februari 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2017. Voor appellante is mr. Kuijper verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft met ingang van 1 oktober 2016 studiefinanciering aangevraagd voor de opleiding [naam opleiding] aan de [naam universiteit] in het Verenigd Koninkrijk.
1.2.
Bij besluit van 8 juni 2016 heeft de minister deze aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 28 september 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 juni 2016 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Uit een advies van EP-Nuffic blijkt dat de door appellante gevolgde opleiding alleen wordt aangeboden als een distance learning programma. Afstandsonderwijs wordt gezien als deeltijdonderwijs. De vergelijkbare bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit in Nederland wordt enkel als een opleiding in deeltijd aangeboden. Voor deeltijdse opleidingen bestaat geen recht op studiefinanciering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat niet in geschil is dat de opleiding [naam opleiding] aan de [naam universiteit] vergelijkbaar is met de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit in Nederland. Deze laatste opleiding is blijkens het CROHO als een deeltijdopleiding ingericht. Afstandsonderwijs via de Open Universiteit betreft altijd een opleiding in deeltijd en daarvoor bestaat geen recht op studiefinanciering. Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten terecht is afgewezen nu de minister het primaire besluit niet heeft herroepen en daartoe ook niet gehouden was.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de afwijzing van de aanvraag om studiefinanciering in strijd is met het legaliteitsbeginsel. In de Wsf 2000 wordt het afstandsonderwijs niet genoemd. Er ontbreekt een wettelijke grondslag om afstandsonderwijs te scharen onder deeltijdse opleidingen. Afstandsonderwijs kan in deeltijd maar ook, zoals in het geval van appellante, in voltijd gevolgd worden. Bij een inschrijving voor 60 studiepunten in een studiejaar is sprake van een voltijdse studie. Verder heeft appellante herhaald dat de in bezwaar gemaakte kosten ten onrechte zijn afgewezen.
3.2.
De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:703, een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit hoger beroep afgewezen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 is een voltijdse opleiding een opleiding in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), met uitzondering van deeltijds onderwijs.
4.1.2.
Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf 2000 komt voor studiefinanciering in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een bekostigde universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW.
4.1.3.
Ingevolge artikel 2.14, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 komt voor studiefinanciering in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voor zover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW en het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW.
4.1.4.
Ingevolge artikel 7.3, tweede lid, van de WHW is een opleiding een samenhangend geheel van onderwijseenheden.
4.1.5.
Ingevolge artikel 7.32, derde lid, van de WHW geschiedt de inschrijving voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden.
4.2.
De minister wordt gevolgd in zijn, ter zitting bij de voorzieningenrechter van de Raad nader toegelichte, standpunt dat de opleiding [naam opleiding] aan de [naam universiteit] in het Verenigd Koninkrijk vergelijkbaar is met de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit in Nederland. Voor beide opleidingen bestaan geen vooropleidingseisen, beide opleidingen worden verzorgd in de vorm van afstandsonderwijs, voor beide opleidingen geldt dat wordt ingeschreven per onderwijseenheid (aangeduid als cursus dan wel module) en dat collegegeld per cursus dan wel module in rekening wordt gebracht.
4.3.
Artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf 2000 koppelt het recht op studiefinanciering aan de inschrijving voor een voltijdse bachelor- of masteropleiding. Nu ingevolge het bepaalde in artikel 7.32, derde lid, van de WHW bij de Open Universiteit inschrijving plaatsvindt voor een of meer onderwijseenheden, bestaat voor het volgen van dat onderwijs geen recht op studiefinanciering als bedoeld in artikel 2.8 van de Wsf 2000.
4.4.
Uit het voorgaande vloeit voort dat in het geval van appellante niet voldaan is aan de in artikel 2.14, tweede lid, aanhef en onder a, eerste volzin van de Wsf 2000 gestelde voorwaarde “voor zover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt”, zodat de minister de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen.
4.5.
De Raad verenigt zich met het oordeel, en de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen, dat de minister het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten terecht heeft afgewezen.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten in beroep en in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) B. Dogan

IJ