ECLI:NL:CRVB:2018:4250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, geboren in 1988, vroeg in december 2011 een Wajong-uitkering aan vanwege psychische klachten die haar universitaire opleiding beëindigden. Het UWV wees haar aanvraag in 2012 af omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Een nieuwe aanvraag in september 2014 werd eveneens afgewezen, met het standpunt dat er geen nieuwe feiten of toename van beperkingen waren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de behandeling onzorgvuldig was en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat haar beperkingen niet waren toegenomen.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht geen nieuwe feiten aannam, maar dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit 2015 onvoldoende onderbouwing biedt voor het standpunt dat de beperkingen niet zijn toegenomen. Het besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd en wordt vernietigd. Het UWV moet een nieuwe beslissing nemen, waarbij beroep alleen bij de Raad mogelijk is. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende medische motivering en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.