Appellant ontving bijstand en werd geconfronteerd met intrekkingsbesluiten en een boete vanwege het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning. Een onderzoek toonde aan dat er hennepplanten en apparatuur aanwezig waren, en Stedin concludeerde op basis van vervuiling en resten dat er meerdere oogsten hadden plaatsgevonden. Het college trok de bijstand in over de periode van 15 juli 2014 tot 30 september 2015 en legde een boete op wegens het niet melden van de kwekerij en het niet inzichtelijk maken van zijn levensonderhoud.
In hoger beroep stelde appellant dat er slechts één oogst was en dat hij pas in januari 2015 met de kwekerij was begonnen. De Raad concludeerde dat het college aannemelijk had gemaakt dat er één oogst was, maar onvoldoende bewijs bestond voor meerdere oogsten. Daarom werd de intrekking van de bijstand over de periode van 15 juli 2014 tot 17 november 2014 vernietigd en het besluit herroepen. De boete werd bevestigd omdat sprake was van opzet, recidive en draagkracht.
De Raad droeg het college op een nieuw besluit te nemen over de terugvordering voor de periode vanaf 18 november 2014 en bepaalde dat tegen dit nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.