ECLI:NL:CRVB:2018:4178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verblijf buitenland zonder melding
In deze zaak staat de intrekking en terugvordering van bijstand en een opgelegde boete centraal, voortvloeiend uit het niet melden van een verblijf in het buitenland door appellante. De schending van de inlichtingenverplichting is niet betwist. Appellante betoogt dat de terugvordering beperkt had moeten worden tot de werkdagen die zij in het buitenland verbleef, maar de Participatiewet biedt hiervoor geen aanknopingspunten.
De Raad benadrukt dat de Participatiewet een absoluut aantal dagen verblijf in het buitenland toestaat met behoud van uitkering, gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel en niet op beschikbaarheid voor arbeid. Het beroep op zeer dringende redenen om terugvordering te voorkomen wordt afgewezen omdat de door appellante aangevoerde ziekte van haar dochter niet is onderbouwd.
Ten aanzien van de boete oordeelt de Raad dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het college terecht een evenredige boete heeft opgelegd. Het hoger beroep wordt verworpen, en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de boete worden bevestigd; het beroep wordt verworpen.