ECLI:NL:CRVB:2018:4119

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2018
Publicatiedatum
17 december 2018
Zaaknummer
18/93 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 ParticipatiewetArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende langdurig laag inkomen

Appellant diende op 10 mei 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees deze aanvraag af bij besluit van 15 september 2016, gehandhaafd na bezwaar op 19 januari 2017, omdat appellant niet gedurende de referteperiode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 een laag inkomen had gehad. Uit de jaaropgaaf van 2014 bleek dat appellant een inkomen had dat ruim boven de bijstandsnorm voor een alleenstaande lag.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang is en dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat hij niet voldeed aan de criteria voor langdurig laag inkomen.

De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de referteperiode niet onrechtmatig is en dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij aan de inkomenseis voldoet. De Raad oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat appellant in de referteperiode een hoger inkomen had dan de bijstandsnorm. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de individuele inkomenstoeslag bevestigd.

Uitspraak

18.93 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2017, 17/1316 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 13 december 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van
artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 10 mei 2016 heeft appellant een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag ingediend. Bij besluit van 15 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 36 van Pro de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016 (Verordening). Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet in de gehele periode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 (referteperiode) een laag inkomen heeft gehad. Uit de op 28 december 2016 verstrekte jaaropgaaf van Adecco over 2014 is gebleken dat appellant in dat jaar een inkomen heeft gehad dat ruim boven het wettelijk minimum voor een alleenstaande lag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat een referteperiode van vijf jaar te lang is omdat hiermee een grote groep bijstandsgerechtigden wordt uitgesloten van de individuele inkomenstoeslag. Voorts heeft hij
aangevoerd dat het college niet heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een langdurig laag inkomen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In zijn uitspraken van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3338 en ECLI:NL:CRVB:2018:3368, heeft de Raad geoordeeld dat de in de Verordening neergelegde referteperiode niet onrechtmatig is. Hieraan doet niet af dat het hanteren van deze periode tot gevolg heeft dat een groep bijstandsgerechtigden niet in aanmerking komt voor de individuele inkomenstoeslag. Voorts is overwogen dat het aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de vereisten om voor een individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Dit betekent dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat zijn inkomen in de referteperiode niet hoger is geweest dan de voor hem geldende bijstandsnorm.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de referteperiode komen overeen met de beroepsgronden die betrokkenen in de hiervoor genoemde zaken hebben aangevoerd. In deze uitspraken is de Raad gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen en verwijst naar de hiervoor genoemde uitspraken.
4.3.
Het college heeft in zijn bestreden besluit inzichtelijk gemotiveerd dat appellant in de referteperiode een hoger inkomen heeft gehad dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Appellant heeft in 2014 een inkomen genoten dat de bijstandsnorm voor een alleenstaande overschreed.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2018.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) J.M.M. van Dalen
md