ECLI:NL:CRVB:2018:4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende langdurig laag inkomen
Appellant diende op 10 mei 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees deze aanvraag af bij besluit van 15 september 2016, gehandhaafd na bezwaar op 19 januari 2017, omdat appellant niet gedurende de referteperiode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 een laag inkomen had gehad. Uit de jaaropgaaf van 2014 bleek dat appellant een inkomen had dat ruim boven de bijstandsnorm voor een alleenstaande lag.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang is en dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat hij niet voldeed aan de criteria voor langdurig laag inkomen.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de referteperiode niet onrechtmatig is en dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij aan de inkomenseis voldoet. De Raad oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat appellant in de referteperiode een hoger inkomen had dan de bijstandsnorm. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de individuele inkomenstoeslag bevestigd.