ECLI:NL:CRVB:2018:3971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verantwoording AWBZ
Appellante ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van €84.033,-. Het zorgkantoor stelde dit later vast op €53.447,11 en vorderde €30.585,89 terug wegens onvoldoende verantwoording van de besteding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat appellante niet heeft voldaan aan de verantwoordingseisen van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ. Het zorgkantoor was daardoor bevoegd het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. De belangenafweging door het zorgkantoor was evenredig en redelijk, ondanks het betoog van appellante over de financiële situatie van haar ouders.
De Raad wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording bij de verzekerde ligt, ook als een derde het beheer voert. De discrepanties in facturen, loonstroken en bankafschriften ondersteunen het besluit van het zorgkantoor. De brief van de staatssecretaris over bescherming van budgethouders is niet relevant voor de beoordeling van het vaststellingsbesluit.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het persoonsgebonden budget bevestigd.