Uitspraak
16.6915 ZW
OVERWEGINGEN
De zorgvuldigheid van de besluitvorming
Equality of arms
Inhoudelijke beoordeling
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig horecamedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het Uwv vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellant voerde bezwaar aan tegen het besluit, onder meer gericht op de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, omdat dit primair door een bedrijfsarts was verricht en niet door een geregistreerde verzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het gebrek in de primaire fase was hersteld in de bezwaarprocedure. Ook de inhoudelijke beoordeling van de psychische belastbaarheid werd bevestigd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig was en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie aan te dragen. De Raad vond geen aanleiding om het medisch oordeel te herzien of een deskundige te benoemen en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.
De Raad concludeerde dat het Uwv de functies waarop appellant nog inzetbaar is adequaat had vastgesteld en dat de urenbeperking en beperkingen in het persoonlijk functioneren voldoende waren gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskostenveroordeling van de rechtbank werd niet overgenomen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.