Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student vanaf 1 september 2014. De minister voerde een onderzoek uit naar de woonsituatie van appellant, waarna de studiefinanciering werd herzien en appellant als thuiswonend werd aangemerkt, met terugvordering van € 2.232,54.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het huisbezoek en de afwezigheid van persoonlijke spullen een doorslaggevende rol speelden. In hoger beroep stelde appellant dat uit de afwezigheid van spullen niet kan worden geconcludeerd dat hij niet op het adres woonde en dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan.
De Raad oordeelde dat de minister in hoger beroep niet langer de onderzoeksbevindingen als grondslag gebruikte, maar alleen de verklaring van appellant ter zitting van de rechtbank. Deze verklaring bevatte echter geen erkenning van de bevindingen maar een weerspreking daarvan. Zonder de onderzoeksbevindingen ontbreekt een voldoende feitelijke grondslag en daarmee een deugdelijke motivering.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, herroept het eerdere besluit van 14 augustus 2015 en veroordeelde de minister in de proceskosten van appellant.