ECLI:NL:CRVB:2018:3617

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2018
Publicatiedatum
15 november 2018
Zaaknummer
16/7960 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Beleidsregels marginale zelfstandigen 2015
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Appellant niet aan te merken als marginale zelfstandige vanwege onvoldoende afstand tot arbeidsmarkt

In deze zaak stond de vraag centraal of appellant kon worden aangemerkt als marginale zelfstandige op grond van de Beleidsregels marginale zelfstandigen 2015. Volgens deze regels moet een marginale zelfstandige een bijstandsgerechtigde zijn die zelfstandige activiteiten van geringe omvang verricht en een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, bijvoorbeeld door een lange werkloosheidsduur.

Appellant betoogde dat hij vanwege zijn leeftijd en opleiding alleen in aanmerking komt voor onregelmatige inkomsten via een nulurencontract en dat er geen uitzicht is op volledige uitstroom naar betaalde arbeid. Hij stelde dat hij daarom wel degelijk een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft.

Het college stelde zich op het standpunt dat appellant geen grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, omdat hij sinds 2005 op oproepbasis werkt bij een beveiligingsbedrijf en sinds 2010 bij een tweede, met substantiële inkomsten in 2015 van €9.621,- uit loondienst. Ook was hij door een Adviseur Werving en Selectie als bemiddelbaar voor voltijd functies aangemerkt.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het standpunt van het college en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De Raad oordeelde dat appellant geen grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en daarmee niet voldoet aan de voorwaarden voor marginale zelfstandigheid onder de beleidsregels.

Uitkomst: Appellant wordt niet aangemerkt als marginale zelfstandige vanwege onvoldoende afstand tot de arbeidsmarkt.

Uitspraak

16.7960 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2016, 16/1562 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 23 oktober 2018
Zitting hebben: Y.J. Klik als voorzitter en F. Hoogendijk en J.L. Boxum als leden.
Griffier: A.M. Pasmans
Namens appellant is mr. G. Bakker verschenen. Het college is niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels marginale zelfstandigen 2015, die golden ten tijde van belang, is een marginale zelfstandige een bijstandsgerechtigde die zelfstandige, productieve activiteiten van geringe omvang verricht die bescheiden inkomsten opleveren en die voor zijn eigen rekening en risico worden uitgevoerd. Voorwaarde is dat belanghebbende een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft vanwege oorzaken als sociaal‑culturele achtergronden, het ontbreken van opleiding, het gebrek aan ervaring met het werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur. Kenmerkend voor de activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien.
2. In geschil is de vraag of appellant voldoet aan de voorwaarde dat hij een grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt vanwege de lange werkloosheidsduur.
3. Appellant heeft aangevoerd dat het college hem ten onrechte niet meer aanmerkt als marginale zelfstandige. Gezien zijn opleiding en leeftijd kan hij slechts in aanmerking komen voor onregelmatige inkomsten op basis van een nulurencontract. Er bestaat op geen enkele wijze uitzicht op een volledige uitstroom naar betaalde arbeid, waardoor de werkloosheidsduur niet afneemt. Anders dan het college stelt, bestaat voor hem een grote afstand tot de arbeidsmarkt in verband met de lange werkloosheidsduur, zodat hij aan de voorwaarden van de beleidsregels voldoet.
4. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat appellant geen grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Daartoe is het volgende van belang. Appellant werkt vanaf 2005 op oproepbasis bij een beveiligingsbedrijf en vanaf 2010 verricht hij daarnaast op dezelfde basis werkzaamheden bij een tweede beveiligingsbedrijf. Appellant heeft in 2015 in substantiële mate werkzaamheden verricht, wat blijkt uit het feit dat hij over 2015 een bedrag van € 9.621,- aan inkomsten uit loondienst heeft ontvangen. Er is dus geen sprake van een gebrek aan ervaring met het werken in loondienst en evenmin van een lange werkloosheidsduur. Een Adviseur Werving en Selectie van het brancheteam van de gemeente dat gaat over invulling van beveiligingsvacatures heeft hem als bemiddelbaar voor voltijds functies aangemerkt. Dat appellant er nog niet in is geslaagd uit een voltijds dienstverband inkomsten te verwerken, leidt niet tot een ander oordeel.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) A.M. Pasmans (getekend) Y.J. Klik
md