Uitspraak
16.4463 PW
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand van februari 2010 tot december 2013 en vanaf april 2014. Het college van burgemeester en wethouders van Delft vermoedde dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde en besloot daarom de bijstand over bepaalde perioden in te trekken en terug te vorderen. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om te concluderen dat hij niet op het uitkeringsadres woonde. De Raad nam verklaringen van getuigen, inschrijving van een derde op het uitkeringsadres en het niet reageren op post in beschouwing. Deze bleken echter onvoldoende concreet en specifiek om de conclusie te ondersteunen dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres in de periode van 14 oktober 2011 tot en met 26 oktober 2013.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor deze periode en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant en werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 14 oktober 2011 tot en met 26 oktober 2013 wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.