ECLI:NL:CRVB:2018:3321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering met verkorte wachttijd wegens niet-duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds eind 2014 arbeidsongeschikt is, vroeg in januari 2016 om een WIA-uitkering met verkorte wachttijd. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, mede gelet op lopende psychologische behandeling die herstel niet uitsloot.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen sprake was van een onomkeerbare situatie. De psycholoog bevestigde dat herstel niet was uitgesloten, ondanks een lange herstelperiode.
In hoger beroep voerde appellant aan dat reeds op de aanvraagdatum sprake was van een stabiele situatie, maar de Raad oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat verbetering mogelijk bleef. De Raad bevestigde dat alleen werknemers in een evident stabiele en volledig arbeidsongeschikte situatie in aanmerking komen voor verkorte wachttijd.
De Raad concludeerde dat de aanvraag terecht werd afgewezen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een WIA-uitkering met verkorte wachttijd is terecht afgewezen wegens het ontbreken van duurzame arbeidsongeschiktheid.