ECLI:NL:CRVB:2018:3301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit en vergoeding kosten bezwaar wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen van 2012 tot 2014 aanvullende bijstand, die werd beëindigd vanwege werkaanvaarding bij een VOF. Het college legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellant geen arbeidsovereenkomst overlegde terwijl uit Suwinet en informatie van de VOF bleek dat hij in februari 2014 al werkte en inkomsten ontving.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de verlaging van de boete tot 50% van het benadelingsbedrag ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat zij niet in gebreke waren, omdat zij een arbeidsovereenkomst per 1 maart 2014 overhandigden. De Raad oordeelde dat de gegevens van Suwinet en de VOF voldoende bewijs zijn dat appellant in februari 2014 werkte en inkomsten ontving, en dat appellanten geen tegenbewijs leverden.
Wel oordeelde de Raad dat het college de kosten van bezwaar had moeten vergoeden, omdat de halvering van de boete niet voortvloeide uit het gewijzigde Boetebesluit, maar uit een aan het college te wijten onrechtmatigheid. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het college de kosten van bezwaar niet vergoedde en veroordeelde het college tot vergoeding van de gemaakte kosten en proceskosten.
Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van bezwaar en proceskosten wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid bij de boeteoplegging.