ECLI:NL:CRVB:2018:3263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na verkoop woning ondanks niet aannemelijk gemaakte schulden
Appellante heeft na haar huwelijk de echtelijke woning verhuurd en is naar de Dominicaanse Republiek verhuisd. Na ontdekking van een hennepkwekerij keerde zij terug naar Nederland. Het college kende haar bijstand toe met een voorlopig vastgesteld vermogen van €207,70 en kondigde terugvordering aan na verkoop van de woning.
Na verkoop stelde het college het vermogen vast op €48.887,73 en vorderde vervolgens €30.511,55 terug wegens beschikking over middelen in de bijstandstijd. Appellante voerde aan dat drie schulden aan haar dochter het vermogen moesten verminderen, maar kon dit niet aannemelijk maken met bewijsstukken of geldleningsovereenkomsten.
De Raad oordeelde dat schulden alleen in aanmerking worden genomen als het bestaan en de terugbetalingsverplichting aannemelijk zijn gemaakt. De opgevoerde schulden waren niet bewezen en deels na de peildatum ontstaan, waardoor ze buiten beschouwing blijven. Het hoger beroep faalt en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand blijft in stand.